Bij taalcoaching het NT2-lesboek van de nieuwkomer gebruiken, doen of laten?

28 feb, 2022

Als taalvrijwilliger probeer je natuurlijk zo goed mogelijk aan te sluiten op de taalvraag van de nieuwkomer of nieuwkomers* die je coacht. Allerlei ondersteuningsmateriaal helpt je daarbij, zoals e-learnings, webinars en oefenmaterialen zoals SpreekTaal. Daarnaast gebruik je vast ook  je eigen creativiteit voor het invullen van je taalcoaching. Wij denken graag met je mee! Vandaag de vraag: het NT2-lesboek van de nieuwkomer gebruiken, is dat een goed idee? 


Stel, de nieuwkomer die je coacht volgt ook formeel NT2-onderwijs, zoals de voorbereiding op het inburgerings- of staatsexamen. Je deelnemer wil graag met jou oefeningen uit het lesboek maken die hij/zij moeilijk vindt. Ook kan het zijn dat je maatje de grammaticaregels niet zo goed kent en jou vraagt om ze nog eens uit te leggen. Het is dan verleidelijk om samen het lesboek te gaan doornemen. Maar dat raden we af en we leggen hieronder uit waarom. Het lesboek is zeker heel goed te gebruiken bij je taalcoaching, zolang je het maar gericht inzet. We hebben zeven tips voor je op een rijtje gezet! 


1. Laat de nieuwkomer praten
Spreken staat altijd centraal. Dit is zo belangrijk, omdat hiervoor in de NT2-les meestal niet voldoende ruimte en tijd is. Als taalvrijwilliger ben je misschien wel de enige persoon met wie je deelnemer écht Nederlands praat, buiten de les. De nieuwkomer kan met jou eindeloos oefenen. Door over van alles wat hem/haar bezighoudt en meemaakt samen te praten, brengt je maatje (onbewust) in praktijk wat in de taalles aangeboden is. Praten wordt zo steeds makkelijker: eventuele spreekangst vermindert en de nieuwkomer krijgt steeds meer lef en zelfvertrouwen. 


2. Gebruik spreekoefeningen uit het lesboek
Kies samen opdrachten die al behandeld zijn in de les. Het liefst rollenspelen en andere ´echte´ spreeksituaties. Voer die gesprekken samen: de nieuwkomer speelt bijvoorbeeld rol A en jij rol B. Dit is heel nuttig. Herhalen is essentieel om vloeiend te leren spreken; praten zonder te veel na te denken en min of meer automatisch. Je herkent dat vast zelf ook als je iets in een vreemde taal wilt zeggen. Je wilt het woord dan vaak horen; één keer is niet genoeg om het te onthouden.


3. Ga dieper in op de inhoud van een thema uit het lesboek

Kies samen een onderwerp waar de nieuwkomer over wil praten en meer informatie over wil hebben. Neem altijd een onderwerp dat al behandeld is. In het lesboek wordt zo’n onderwerp aangedragen en buiten de les kunnen jullie er dan nog dieper op ingaan. Dus: informatie geven, ervaringen en ideeën uitwisselen. Dit kan met allerlei onderwerpen. Voorbeeld: ‘Naar de huisarts’ is het thema in het lesboek. Je kunt dan praten over de gezondheidszorg in Nederland en in het land van herkomst van je maatje, of aan elkaar vertellen hoe een gesprek bij de huisarts meestal verloopt. 


4. Gebruik de woordenlijsten uit het lesboek

Pak een woordenlijst uit een hoofdstuk of thema dat al geweest is. Kies samen een serie van zo’n tien woorden om mee te oefenen.  Gebruik daarvoor bijvoorbeeld een speelse vorm, zoals een ‘woordflits’. De nieuwkomer kijkt naar het rijtje woorden, daarna bedekt hij/zij ze en probeert zoveel mogelijk woorden correct te zeggen of op te schrijven. Wat natuurlijk ook kan: jij geeft bij dat lijstje woorden een omschrijving en je maatje zegt het woord. Dat activeert aanwezige kennis. Als de woorden goed begrepen zijn (en niet eerder), kun je ze laten gebruiken in zinnen. 


5. Geef steun bij een praktijkopdracht uit het lesboek 

Ga eventueel mee met een praktijkopdracht. Doe dat alleen bij een nieuwkomer die nog weinig zelfvertrouwen heeft. Probeer wel zoveel mogelijk los te laten: het is de bedoeling dat je maatje het doet, niet jij… Als de nieuwkomer de opdrachten zelfstandig doet: praat er vooraf samen over, oefen eventueel met de situatie en bespreek achteraf hoe het ging. 


6. Geef steun bij het huiswerk

Help bij het begrijpen van de instructies van een opdracht. Help vragend: laat de nieuwkomer zelf ontdekken wat de bedoeling is van een opdracht en hoe hij/zij deze moet aanpakken. Laat je maatje bijvoorbeeld in het lesboek zoeken naar eerdere, vergelijkbare opdrachten. Dat maakt vaak al veel duidelijk. Help liever niet bij het huiswerk zelf. Huiswerk is bedoeld om zelf te oefenen en vastlopen hoort daarbij. Dat geeft ook aan wat iemand nog niet goed kan. Dat is belangrijke informatie voor de NT2-docent. Als je huiswerk samen doet, krijgt de docent een vertekend beeld van wat al goed gaat en wat minder.


7. Verwijs naar de NT2-docent

Laat vragen over grammatica bij de taaldocent. Die weet wat hij/zij wel wil uitleggen en wat (nog) niet. En ook op welke manier: passend bij het (taal)niveau van de nieuwkomer en wat voor hem/haar een zinvolle uitleg is. Wees ook duidelijk over jouw rol; leg uit waarom je dit soort vragen wilt laten rusten. Geef aan dat je de opbouw en de aanpak van de NT2-docent niet wilt verstoren. Bedenk: als jij het op een andere manier uitlegt dan de docent, wordt de verwarring voor je taalmaatje alleen maar groter. Je kunt ook gewoon zeggen: daar heb ik geen verstand van, ik ben geen docent…


*Omwille van de leesbaarheid wordt verder in het artikel het enkelvoud gebruikt: ‘nieuwkomer’.      


Dit artikel maakt deel uit van een reeks. Lees ook onze adviezen over hoe kun je bij taalcoaching met praktijkopdrachten werkenhoe oefen je de uitspraak met je nieuwkomer, hoe begeleid je een nieuwkomer die nog geen Nederlands spreekt, voorlezen uit kinderboeken, grammatica behandelen en waarom praten bij taalcoaching beter is dan grammaticaregels leren.

Gerelateerde tags

Ken jij MATCH al? Deze online tool is nu nóg beter!
Wat is vrijwilligerswerk?
Podcast ‘Jezelf redden met taal’
>

Gelukt!

Waarschuwing

Oeps, er gaat iets fout. Gebruik het menu om terug te keren naar de website.