taalcoaching in de bieb

De rol van spreken bij taalcoaching is essentieel. Lesredacteuren Haas de Groot en Merel Borgesius spraken hierover met Germaine Trooster. Zij was coördinator taalcoaching bij Huis der Taal in Deventer en traint nu andere coördinatoren via Stichting Het Begint met Taal, bijvoorbeeld in het effectief organiseren van taalcoaching. Daarnaast zit ze in de klankbordgroep van SpreekTaal 3 en heeft ze een duidelijke mening over taalcoaching. Tijd voor een gesprek met een enthousiasteling van het eerste uur. Lees hier het interview uit Tijdschrift Les, vakblad voor NT2-docenten.

Bij taalcoaching worden anderstaligen een op een of in een klein groepje begeleid door een vrijwilliger. Spreken staat daarbij centraal. In Nederland spreken tienduizenden koppels wekelijks met elkaar. Het Begint met Taal noemt 16.069 taalvrijwilligers en 31.991 anderstaligen. En dan zijn er nog velen elders of niet geregistreerd. Het onderwerp taalcoaching kan in een nummer over de vaardigheid spreken niet ontbreken.

In 1980 is Germaine Trooster begonnen bij de eerste opvang van Vietnamese bootvluchtelingen; zo lang is ze dus al werkzaam in het NT2-veld. Daarna was ze in dienst bij Basiseducatie Deventer dat na verschillende fusies deel ging uitmaken van ROC Aventus. Sinds 2007 legt ze zich toe op het non-formele circuit. Ze ging aan de slag als coördinator (eerst betaald, daarna als vrijwilliger) bij Huis der Taal in Deventer, maar startte ook een eigen bureau. Vanuit dat bureau ontwikkelt en geeft ze onder andere trainingen voor Het Begint met Taal, de landelijke koepel van taalcoachorganisaties in Nederland.

Ieder heeft zijn rol

Onlangs heeft ze de basistraining voor coördinatoren taalcoaching herzien, met name het gedeelte Visie op taalcoaching. Germaine maakt een duidelijk onderscheid tussen de rol van de professionele NT2-docent en die van de taalvrijwilliger. Bij de ontmoetingen tussen taalvrijwilligers en anderstaligen moet de taalvraag centraal staan, bij de professionele lessen gaat het om taaldoelen. Taalcoaches moeten niet op de stoel van de docent gaan zitten. Daarom spreekt zij ook consequent van oefenen en niet van leren. Dit verschil moet je al vanaf de intake, van de vrijwilliger en van de anderstalige, duidelijk maken. Om die reden vindt ze het ook zo belangrijk om de coördinatoren te trainen. Want je visie op de rol van de vrijwilliger begint bij de coördinator. Ook pleit ze ervoor dat vrijwilligers niet met lesboeken gaan werken. Daarom is ze ook zo blij met het materiaal van SpreekTaal (zie kader), omdat dat speciaal ontwikkeld is voor taalvrijwilligers.

Germaine: ‘Ik kwam van het formeel onderwijs en kwam toen in het non-formele circuit. En ik besefte: non-formeel heeft een compleet andere invalshoek. Als professioneel docent ben je veel meer bezig met het leerproces, het evalueren, het denken vanuit doelen. Dat zit zo in je systeem. Maar dat is een bedreiging voor het non-formele. Het is een heel ander speelveld. Als een koppel gaat samenwerken, moet je nadenken over wat je wel en niet doet. Je moet het terugbrengen naar de praktijksituaties van de anderstalige die je begeleidt. En inhoud gaat heel duidelijk voor vorm. Als je als taalcoach wilt evalueren, is mijn advies dat je wel kunt vragen ‘Wat gaat nu beter?’, maar je kunt niet terugkijken op de manier zoals je dat in het onderwijs doet, waarbij je het leerproces erbij betrekt. De taalvraag van de anderstalige moet het uitgangspunt zijn. Deelnemers komen gewoon, kloppen aan, ze willen een taalcoach, ze willen hun spreken oefenen, daar zit de taalnood. Daarom spreekt zij ook consequent van oefenen en niet van leren

Het ABCD-model van Neuner is voor het onderwijs een heel goed model om te werken van receptief naar productief. Maar in de taalcoachgesprekken zijn mensen vaak al aan het produceren. Dus kijk naar wat de anderstalige nodig heeft. Welke taalvraag heeft hij of zij? Daar gaat het om. Stop de vrijwilliger niet in een didactisch keurslijf.

Koen Jaspaert heeft het een keer heel goed uitgelegd: ‘Taalverwerving is een complex aanpassingsproces dat plaatsvindt in gesprek met mensen waar je je goed bij voelt.’ Er zijn heel wat sterke aanwijzingen dat taal niet verworven wordt door informatie over een taal in een aangeboren systeem in te passen, maar juist vorm krijgt in de dagelijkse conversatie tussen mensen die zichzelf tot dezelfde groep rekenen, en daardoor impliciet de taal van elkaar gaan overnemen. In die theorie is taalverwerving dus niet het gevolg van expliciete kennis die eerst geleerd en daarna geautomatiseerd wordt, maar van een onbewust aanpassingsproces aan mensen met wie we converseren en bij wie we ons goed voelen. (Bron: Jaspaert, K. (2014). Expliciet of impliciet, that’s the question. Een pleidooi voor meer impliciet onderwijs. Les 192.).

Daarom: praten en oefenen, en als je veel oefent, durf je weer meer te praten. Als je meer kilometers maakt, krijg je meer zelfvertrouwen en dat leidt weer tot meer taalcontact. Het werkt dus dubbelop.’ Germaine is niet bang dat het werken met taalvrijwilligers tot krompraters leidt. ‘Het gaat om het taalcontact, wat de koppels zelf doen, daar gaat het om. Ze krijgen zo meer taal aangeboden, kunnen het spreken oefenen en daardoor verbeteren ze zich weer.’

Klankbordgroep SpreekTaal

Germaine: ‘Ik zit in de klankbordgroep van SpreekTaal 3 (voor anderstaligen met ERK-taalniveau A2-B1). SpreekTaal 3 wordt momenteel ontwikkeld omdat er gewoon veel vraag naar is uit het werkveld. Van de taalkoppels krijgen we terug dat ze beter willen leren spreken, ook op niveau A2-B1. Daarnaast wordt in de nieuwe inburgeringwet het taalniveau van A2 naar B1 opgetrokken. In Spreektaal 3 zijn veel thema’s hetzelfde als in SpreekTaal 1 en 2, maar er zijn ook meer situaties voor werk en opleiding in opgenomen. We willen af van het schoolse met een pennetje en daar spreekopdrachten bij doen. Dat willen we juist niet. Dit materiaal is werkelijk gericht op spreken en het is functioneel: geen schoolse taken maar echte spreekvaardigheid. Een verbetering bij SpreekTaal 3 is dat het niet alleen een overzicht biedt van alle thema’s, maar ook van alle verschillende subonderwerpen en situaties die in de boekjes zitten. Zo kun je nog beter plukken uit de verschillende modules en hoofdstukken en dus nog meer aan de taalvraag tegemoet komen. Je hoeft niet een heel boekje met je taalmaatje door te werken, je kan juist een situatie kiezen die past bij het dagelijks leven van je taalmaatje.’

SpreekTaal wordt ontwikkeld door de VU-NT2 en Het Begint met Taal. Meer informatie over SpreekTaal vind je hier.

Non-formele circuit niet formaliseren

‘Zorg ervoor dat je niet teveel gaat formaliseren in het non-formele circuit’, zegt Germaine met overtuiging. ‘Dat is een valkuil. Nu wil men bijvoorbeeld de taalhuizen in de bibliotheken gaan certificeren.1 Kwaliteit is belangrijk, maar ben je bewust van hoe je zo’n certificering inricht. Werk vanuit een non-formeel uitgangspunt zodat de instrumenten aansluiten bij de kracht en de kenmerken van taalcoaching door vrijwilligers. Natuurlijk, je moet evalueren en je moet je verantwoorden voor eventuele subsidies, maar hou ook hierbij het nonformele karakter als uitgangspunt. Door bijvoorbeeld niet met eindeloze evaluatie- en meetpunten te komen maar enkel te kijken naar waar het in de praktijk om gaat.

Vooral ook de rol van de vrijwilliger moet helder zijn. Een vrijwilliger heeft een gelijkwaardige relatie met zijn/ haar deelnemer. Het is zo’n mooi initiatief, die taalkoppels. Op allerlei vlakken een verrijking. Het is maatschappelijk relevant, de anderstalige vergroot zijn netwerk, maar de taalvrijwilliger net zo goed. Ook hier is er een verdubbeling. In mijn training zeg ik altijd ‘zo’n coördinator ‘, maar dat betekent ook ‘zo een coördinator,’ oftewel zo is er maar een. Jij bent een coördinator en jij doet het op jouw manier en dat is een heel erg belangrijk kenmerk van taalcoaching. En dat geldt ook voor de taalcoach. Elk koppel is uniek.

Om effect te scoren, moet je niet te licht over taalcoaching denken, het vraagt een inspanning om de vrijwilligers goed toe te rusten, goed te matchen en te begeleiden. Maar het belangrijkste is: doen, doen, doen. Rollenspelen hoppa!’

SpreekTaal

SpreekTaal is materiaal voor vrijwilligers die anderstaligen ondersteunen met het beter spreken van het Nederlands. Het materiaal is geschikt voor alle anderstaligen, van laagopgeleid tot hoogopgeleid. SpreekTaal is geschikt voor een-op-eentaalcoaching en in kleine groepen. Het is eenvoudig in gebruik. Je hoeft als vrijwilliger geen leservaring te hebben.

Het materiaal bestaat uit twee series: SpreekTaal 1 (niveau 0 tot A1) en SpreekTaal 2 (niveau A1 tot A2). Elke serie bestaat uit vijftien praktische modules over dagelijkse onderwerpen. De thema’s zijn gericht op de leefwereld van volwassenen, zoals Praten over jezelf, Wonen en Gezondheid. Elke module bestaat uit een boekje en audio-opnames, met materiaal voor ongeveer vijf uur taalcoaching. SpreekTaal 3 (niveau A2 tot B1) is in de maak en is waarschijnlijk in de zomer van 2020 beschikbaar. De modules zijn te bestellen in de webwinkel van Van Dale Uitgevers. De reguliere prijs is € 185,- voor een hele serie en € 15,50 voor een losse module. Taalvrijwilligersorganisaties van Het Begint met Taal krijgen korting als ze SpreekTaal bestellen. De audiobestanden van SpreekTaal kun je gratis downloaden en/of beluisteren op www.vandale.nl/spreektaal. De modules zijn ook gratis te downloaden door vrijwilligers van lidorganisaties van Het Begint met Taal.  Spreektaal 3 wordt mogelijk gemaakt door SZW en het Oranje Fonds.

www.hetbegintmettaal.nl/spreektaal

info@germainetrooster.nl

Noot