lokale-fondsen1Samenwerking op lokaal niveau is een groeiende tendens die op veel gebieden zichtbaar is. Zo ook op filantropisch vlak. Lokale fondsen lijken als paddenstoelen uit de grond te schieten. Mensen willen graag positieve energie in hun leefomgeving steken en zien in dat daar ook geld voor nodig is. Lokale fondsen hebben echter nog lang niet altijd een duidelijk lokaal project voor ogen dat ze willen steunen. Een kans voor alle organisaties die anderstaligen ondersteunen op het gebied van taal. Onder andere minister Ronald Plasterk, professor Pieter Winsemius en voorzitter van de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie Steven van Eijk wierpen tijdens het Congres Lokale Fondsen Nederland hun blik op deze nieuwe tendens.

Liefdadigheid en burgerinitiatief

Dirk Duijzer, directeur Coöperatie & Bedrijfsmanagement Rabobank Nederland verwelkomt zo’n 400 aanwezigen bij het congres in Utrecht. Hij onderstreept het belang van samenwerking bij de realisatie van doelen die je niet alleen kunt bereiken. De vraag ‘Hoe vinden we elkaar om samen tot een beter doel te komen?’ staat daarbij centraal. Ronald_PlasterkVolgens minister Plasterk zijn er momenteel drie verschillende trends die de lokale fondsen gunstig gezind zijn:

  1. Oude arrangementen als gemeenschapszin worden geprofessionaliseerd
  2. De bevolking is beter dan voorheen in staat om initiatief te nemen
  3. De overheid kan zich simpelweg niet meer veroorloven om alles op te lossen.

Plasterk juicht de opkomst van lokale fondsen toe omdat het de traditie van liefdadigheid en burgerinitiatief verenigt. Als voorbeeld noemt hij zijn eigen boekenkast die uitpuilt. “Als er in de vleugel van het verzorgingstehuis bij mij op de hoek een leesplankje wordt gecreëerd, zou ik mijn boeken afstaan en ze eventueel daar gaan lezen, mocht ik er toch nog eens in willen kijken,” aldus een enthousiaste Plasterk. (Foto: www.li.wikipedia.org) Steven van Eijk directeur van het SBF vindt dat er meer ‘ruimte voor geven’ moet komen. “Voorheen waren kerken en fondsen geïsoleerd bezig, nu zijn er gedragsregels van de Commissie De Jong onder meer omtrent het toezicht op ANBI’s.” Volgens Van Eijk liggen aan de groei van lokale fondsen ten grondslag: 1. Decentralisatie, de discussie wordt niet meer alleen in Den Haag gevoerd 2. Verantwoordelijkheid van het veld.

Netwerken en de overheid loslaten

Pieter WinsemiusOnderzoeker Pieter Winsemius stelt dat het succes van lokale fondsen onderhevig is aan drie onderdelen:

  1. Burgers moeten kunnen en willen. De kwaliteiten van burgers moeten ook passen bij de behoeften.
  2. Er moeten verbinders zijn om contact te leggen met de wethouder, zorginstelling etc. Door een toenemende afstand is het belangrijk om mensen van buiten ‘externen’ aan te trekken om te verbinden.
  3. Mensen serieus nemen/inspraak. Mensen vinden inspraak vaak niet bevredigend blijkt uit onderzoek, er wordt niet genoeg teruggekoppeld.

Volgens Winsemius moeten mensen met name kijken naar wat ze met hun eigen netwerk kunnen. Fondsen kunnen daarnaast ook een netwerk toevoegen. Ook is het belangrijk om ‘de kunst van het loslaten’ onder de knie te krijgen, vindt Winsemius. “De overheid trekt zich terug. Mensen kunnen meer, maar dan moeten ze zich anders organiseren. ‘Niet helpen’ is een belangrijke overheidstaak. Als iemand zijn zoon van 26 nog helpt met oversteken en zegt: “Kom maar bij pappie”, wordt het ook nooit wat.” Toch moeten vrijwilligers volgens Winsemius goed opletten dat ze niet een te grote, maar ook niet een te kleine broek aantrekken. “Ze moeten een maat vinden die past bij het netwerk en de eigen kracht.” Tevens moeten beleidsmakers hun beleid aanpassen. Kwetsbare mensen zonder netwerk, maar met ‘stapelingsproblematiek’ (problemen op verschillende gebieden) kunnen nu niet bij de overheid terecht. De overheid is momenteel nog ingesteld op het scheiden van oorzaken en gevolgen. Er zouden multidisciplinaire teams moeten komen die samenwerken. “Anders zullen er meer Savannah’s komen,” verwijst Winsemius naar het meisje dat alle problemen thuis niet overleefde, ondanks dat er 32 instellingen waren die zich met het gezin bemoeiden. (Foto: www.sp.nl)

Zoek contact met lokale fondsen

TaanteJetty Mathurin betreedt vervolgens als de Surinaamse Taante: “Ik heb hersens onder m’n doekje, het doekje is om ze te beschermen tegen buiten,” het podium en breekt met een hilarische sketch een lans voor samenwerken: “We moeten ons concentreren op ‘delen’, niet tegen elkaar maar met elkaar!” aldus Taante. Tot besluit is er een rondetafelgesprek waarbij het publiek vragen stelt aan onder meer Ronald van der Giessen, directeur van het Oranje Fonds, en Jan Romme, directeur van Stichting Nationaal Ouderenfonds. Zoek de lokale fondsen op en overtuig ze van een investering in jouw organisatie,  bezoek snel de site van Lokale Fondsen Nederland. (Foto: www.infofilm.nl)