Bij het Ster College in Eindhoven ondersteunen taalvrijwilligers de cursisten. Zij vullen daarmee het werk van de professionele docent aan. EPALE sprak met directeur Frans Ritzen en vrijwilligerscoördinator Marleen Hermus. Waarom kozen zij voor deze manier van werken?

Het Ster College ligt verscholen tussen sobere woonhuizen in het Eindhovense stadsdeel Woensel. Het organiseert cursussen voor iedereen vanaf 18 jaar. Je kunt er terecht als je (beter) Nederlands wilt leren lezen, schrijven, spreken en verstaan. Of voor rekenen en computergebruik: ‘digitale vaardigheden’. De deelnemers leren er specifieke vaardigheden om te kunnen functioneren in de samenleving. De meeste cursussen worden verzorgd in opdracht van de regionale gemeentes volgens de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), en zijn voor de cursist kosteloos. Per week krijgen de deelnemers drie ‘contacturen’ les van professionals. Daarnaast zet het Ster College taalvrijwilligers in, zogenoemde participatiecoaches. Die vormen een brug tussen de theorie in de klas en (meer) participatie in de samenleving.

Frans Ritzen, je bent directeur van de afdeling Educatie. Waarom zetten jullie vrijwilligers in?

“Om onze huidige aanpak te begrijpen, is het goed even terug te kijken. Voorheen hadden cursisten meer contacturen per week. Die zijn langzaam teruggebracht: eerst naar vijf uur, daarna naar drie. Het oorspronkelijke aantal uren was door bezuinigingen niet meer haalbaar. Een jaar of twee geleden vonden we drie uur per week niet toereikend om je vaardigheden eigen te maken. We pleitten voor een verdubbeling. De gemeente Eindhoven vond dit geen optie en redeneerde: als je meer uren lesgeeft, kun je minder mensen bedienen. En op dat moment waren er in Eindhoven al wachtlijsten. Maar de gemeente had wél interesse in een oplossing met behulp van vrijwilligers. Toen zijn we aan de slag gegaan om te kijken hoe we dat konden vormgeven.”

Marleen Hermus, jij bent vrijwilligerscoördinator. Hoe viel dit voornemen bij de professionals in jullie team?

“Nou, in het begin was er weerstand. Logisch, want bezuinigingen veroorzaakten in het verleden veranderingen in het veld, die niet altijd ten goede kwamen aan de doelgroep. Docenten waren bang voor afkalving van hun professie als vrijwilligers op ‘hun’ vak ingezet zouden worden. Daarom zijn we met elkaar in discussie gegaan: áls we vrijwilligers inzetten, hóé dan – bij welke groepen cursisten kunnen we ze aanvullend inzetten?”

Frans Ritzen: “De meerwaarde van vrijwilligers zit ’m in taalcontact. Gewoon met een cursist praten over alledaagse dingen, niet nog eens het grammaticaboekje doornemen. We wilden de vrijwilliger heel zuiver inzetten. We hebben in de klas de professional met zijn verantwoordelijkheden, de vrijwilliger doet daarnaast aanvullende werkzaamheden. Het zijn twee gescheiden functies binnen de organisatie. Samen vormen ze iets moois.”

Hoe gingen jullie met vrijwilligers aan de slag?

Hermus: “Samen met een adviseur en het educatieteam organiseerden we een aantal themabijeenkomsten. Aan de hand van een bestaand compendium van het Europese SEA-project en input vanuit het programma Taal voor het Leven hebben we onze eigen competentieprofielen samengesteld voor vrijwilligers (zie ook kader). Die profielen legden we naast de competenties voor professionele docenten, die voldoen aan het competentieprofiel NT2 of het profiel voor docentbasisvaardigheden. Zij hebben de vakinhoudelijke kennis. Vrijwilligers gaan aan de slag in het taalcafé, of ze ondernemen buitenschoolse activiteiten die aansluiten bij het onderwijsaanbod.”

Hermus: “De gehele afdeling Educatie werkt eindtermen-gerelateerd. Het ontwikkelen van taal-, reken- en digitale vaardigheden is functioneel van aard. De taal is niet het doel, maar een instrument om te kunnen deelnemen aan de samenleving. Vakdocenten zijn zich meer gaan ontwikkelen in de richting van onderwijscoaches. Ze moeten cursisten kunnen begeleiden in het leren ‘leren’ en in het reflecteren op hun onderwijsproces. We hebben (weer) een portfolio in gebruik genomen: een voortgangsdossier om de ontwikkeling van deelnemers te zien en te beleven. Hiermee wordt vooral het leren buiten school gestimuleerd.”Sinds april van dit jaar draaien jullie een pilot. Wat betekent deze nieuwe manier van werken voor docenten?

En wat betekent deze manier van werken voor de vrijwilligers?

Ritzen: “Ik vind het belangrijk dat je vrijwilligers ziet als essentieel voor je organisatie. Ze mogen er niet een beetje bij hangen. Om een simpel voorbeeld te noemen: als je docenten een kerstpakket geeft, moet je dat ook aan de vrijwilligers geven. Marleen besteedt één dagdeel per week aan het coördineren van de vrijwilligersinzet. Dan moet je denken aan contact onderhouden, werven en een introductieprogramma maken. Maar ook intervisiebijeenkomsten organiseren, werkzaamheden evalueren en de samenwerking tussen docent en vrijwilliger monitoren en bevorderen.”

Hermus: “De eisen moeten laagdrempelig zijn: vrijwilligers moeten vooral affiniteit met de doelgroep hebben. Taalcontact, daar gaat het om! En wij zien graag dat zij zich voor langere tijd willen binden aan onze organisatie.”

Hoe loopt het?

Ritzen: “We hebben nu zo’n tien vrijwilligers (op ongeveer 800 cursisten, red.). We zijn blij met ze…. Lees meer op EPALE.

Auteur Marissa van der Valk