Samen met Steunpunt Basisvaardigheden zet Het Begint met Taal een heel aantal activiteiten op. Zo ook een drietal trainingen voor coördinatoren in Zwolle, Utrecht en Eindhoven over de basisprincipes van NT2. Het doel? Goed onderlegd en met de juiste informatie in de hand gesprekken aan kunnen gaan met gemeenten, formele taalaanbieders en andere samenwerkingspartners. Op deze manier kunnen organisaties het nut van vrijwillige taalcoaching nog beter onder de aandacht brengen. De cijfers liegen er namelijk niet om: in Nederland zijn 1,3 miljoen individuen laaggeletterd en 1,45 miljoen laaggecijferd. Het inhoudelijke deel van de dag wordt verzorgd door Ella Bohnenn van CINOP en Monica Wijers, als onderzoeker reken-wiskundeonderwijs verbonden aan de Universiteit Utrecht.

Gecijferdheid, het ondergeschoven kindje

Gecijferdheid is meer dan het kunnen maken van rekensommen. Met voorbeelden als het kunnen lezen van een routekaart, klok kijken en koken aan de hand van een recept, laat Monica Wijers zien dat gecijferdheid niet alleen een noodzakelijk onderdeel zou moeten zijn van taalonderwijs maar ook dat men rekenkundig vaak beter is onderlegd dan hij of zij in eerste instantie dacht. Zonder het te weten zijn we immers vaak al met rekenen bezig. Concreet bestaat gecijferdheid uit vier onderdelen: (1) getallen, (2) verhoudingen, (3) meten en (4) verbanden leggen. Bij deze laatste twee onderdelen valt de meeste winst te behalen als het gaat om NT2’ers. Deze onderdelen hebben namelijk veel raakvlak met het dagelijks leven van de cursist. Denk aan ruimtelijke oriëntatie (meten) en het lezen van een treinschema (verbanden). Monica sluit af met een belangrijke tip voor vrijwilligers:

Laat je leiden door de termen ‘nut’, ‘noodzaak’, ‘interesse’ en ‘leervraag’. Met andere woorden: sluit met rekenonderwijs aan bij de leefwereld, vragen en behoeften van je cursist. Het gaat er immers niet om dat de persoon een wiskundig rekenwonder wordt, maar dat hij/zij zich kan redden in eigen situaties.

Wie zijn eigenlijk de NT1&NT2-leerders?

Ella Bohnenn onderscheidt vier groepen: (1) niet gealfabetiseerd in Latijnse schrift en/of moedertaal, (2) beginners (0-A2), (3) gevorderden (A2-B2) en (4) NT1/NT2. Bij deze laatste groep gaat het om personen die zich in het dagelijks leven weten te redden maar wel met een lichte taalachterstand kampen. Dat deze groep zowel bestaat uit Nederlandse en anderstalige volwassenen, laat zien hoe moeizaam het is de werkelijkheid in een schema te passen. Zo ook als het gaat om de verschillende niveaus. Ella behandelt het raamwerk NT2 in vergelijking tot de ‘standaarden en eindtermen volwassen educatie’, het schema dat tegenwoordig door veel gemeenten bij de taaleis wordt gebruikt. Hoewel men voorzichtig kan zeggen dat A2 gelijk staat aan niveau 1F, is dit niet volledig de waarheid. Zo zal iemand op niveau 1F een grotere woordenschat hebben en grammatica beter beheersen dan iemand op niveau A2.

We sluiten de training af door terug te gaan naar de vraag hoe je, binnen dit web van regels en termen, de beste begeleiding kunt bieden als vrijwilliger. Tip van Ella: let op functionaliteit; wat hebben mensen nu nodig om zich te kunnen redden?

Meer weten over de standaarden en eindtermen van taal en/of rekenen? Ze zijn te lezen op de website van het Steunpunt Basisvaardigheden.