Wat is taalcoaching?

Home/Wat is taalcoaching?

Taal is nodig voor het vinden van werk of een gesprek aanknopen op het schoolplein. Uit onderzoek blijkt dat meer dan 600.000 migranten een taalvraag hebben. Door gebrek aan contact met Nederlandssprekenden oefenen ze de taal te weinig. Hierdoor is het moeilijk mee te doen in de samenleving. Dat is nadelig voor henzelf, hun omgeving en onze samenleving. Taalcoaching is een persoonlijke aanpak van dat probleem.

Wat is taalcoaching?

Wekelijks ontmoeten een vrijwillige taalcoach en migrant elkaar om de Nederlandse taal te oefenen. Dit gebeurt één op één, in kleine groepjes of in een taalcafé. Taalcoaching is altijd gericht op het oefenen van de taal, bijvoorbeeld naast taalles op school.De taalcoaches gaan aan de slag met de vragen van de deelnemer. Door de informele aanpak ontstaat er vertrouwen. Dit is belangrijk om stappen te durven zetten. Taalcoaching is een belangrijke aanvulling op formeel onderwijs, geen vervanging.

Wat is de rol van Het Begint met Taal?

Het Begint met Taal is door taalcoachorganisaties opgericht om hen te versterken bij het slim organiseren van taalcoaching. We geven advies, kennis, trainingen, materiaal en brengen organisaties met elkaar in contact. Ons doel: taalcoaching effectief, zichtbaar en beschikbaar maken, zodat meer migranten mee kunnen doen.

Ruim 500 coördinatoren binnen ons netwerk zorgen ervoor dat taalcoaching goed georganiseerd is. Zij zijn de matchmakers tussen taalcoach en deelnemer. In het netwerkboek 2017 vertellen zij over hun drijfveer en mooie ervaringen.

Bewezen effectief

Onderzoek toont aan dat vrijwillige taalcoaching werkt. Taalcoaching zorgt ervoor dat:

  • de taalvaardigheid van anderstaligen wordt vergroot.
  • anderstaligen sneller meedoen in de samenleving. Na het volgen van een taalcoachtraject kunnen anderstaligen sneller hun eigen zaken regelen. Ook blijkt dat 30% nadien betaald werk gaat doen en 20% gaat verder met een cursus of opleiding.
  • vrijwilligers een positiever beeld krijgen van anderstaligen.
  • De combinatie van een goede taaldocent en het oefenen in de praktijk is de bewezen manier van goede taalverwerving. Taalvrijwilligers halen mensen uit hun isolement en maken het oefenen mogelijk.

Bronnen

  1. Verduurzamen van informele taalondersteuning – Verwey-Jonker Instituut (2013)
  2. Verduurzaming – Berenschot (2013)
  3. Meer dan taal alleen – Regioplan (2011)
  4. Aantal anderstaligen met een taalvraag – CINOP (2016)

Bij een aanbesteding maakt een overheidsorganisatie bekend dat zij een opdracht wil laten uitvoeren. Organisaties mogen vervolgens een voorstel doen voor het uitvoeren van deze opdracht. Bij een aanbesteding gaat het meestal om relatief grote opdrachten. Bij kleinere opdrachten wordt meestal een beperkt aantal organisaties uitgenodigd om een voorstel te doen en een offerte te maken.

Een aanbieder is een organisatie die formele en/of non-formele volwasseneneducatie (taal, rekenen en/of digitale vaardigheden) aanbiedt.

Alfabetisering is het proces van taalverwerving gericht op de ontwikkeling van lees- en schrijfvaardigheid. Het begint bij de ontwikkeling van technisch kunnen lezen en schrijven. Bijvoorbeeld het beheersen van het schrift. Daarna wordt de stap naar functioneel lezen en schrijven gemaakt. Bijvoorbeeld het lezen en begrijpen van een tekst, het invullen van een formulier etc. Het aanleren van lezen en schrijven bij volwassenen vraagt specifieke kennis en vaardigheden van een docent met expertise op het gebied van alfabetisering.

Mensen die analfabeet zijn, zijn ongeletterd. Zij kunnen niet lezen en schrijven, in welke taal dan ook. Het aanleren van lezen en schrijven bij volwassenen vraagt specifieke vaardigheden en competenties van een docent met expertise op het gebied van alfabetisering. Analfabeet zijn is iets anders dan laaggeletterd zijn. (Zie Laaggeletterdheid).

Anders-alfabeten zijn mensen die uitsluitend kunnen lezen en schrijven in een ander schrift dan het Latijnse schrift. Onder het Latijnse schrift vallen onder meer het Nederlands en Engels. Anders-alfabeten zijn geen analfabeten. Zij zijn geletterd en beschikken over lees- en schrijfvaardigheden in hun eigen taal en schrift, bijvoorbeeld het Arabisch of Chinees. Het NT2-onderwijs aan deze taalleerders richt zich op het aanleren van de Nederlandse klanken en letters. Daarna kunnen zij doorstromen naar het reguliere NT2-onderwijs.

Iemand is anderstalig wanneer hij/zij een andere moedertaal heeft dan het Nederlands. Nederlands is voor deze persoon dus niet de eerste taal. De mate van geletterdheid staat hier los van. Iemand kan anderstalig zijn, maar ook het Nederlands vloeiend beheersen.

Alfabetisering Nederlands als tweede taal. ANT2 verwijst naar het taalonderwijs aan mensen die een andere moedertaal dan het Nederlands hebben én ook analfabeet zijn. Taalleerders in het ANT2-onderwijs kunnen niet lezen en schrijven in hun eigen taal. Zij leren dus tegelijkertijd zowel de Nederlandse taal (spreken en begrijpen) als technisch en functioneel lezen en schrijven. Dit onderwijs vraagt specifieke kennis en vaardigheden van een docent met expertise op het gebied van alfabetisering bij anderstaligen.

Een arbeidsmarktregio is een gebied waarbinnen UWV en gemeenten ondersteuning en diensten bieden aan mensen die op zoek zijn naar werk en werkgevers. Nederland is onderverdeeld in 35 arbeidsmarktregio’s. Zie www.werk.nl

Een arbeidsmigrant is iemand die zijn land verlaat om (beter betaald) werk te vinden. Deze persoon vertrekt op vrijwillige basis en kan altijd veilig terugkeren. Een arbeidsmigrant is veelal voor beperkte duur in een ander land voor werk. In de praktijk komt het geregeld voor dat arbeidsmigranten zich na verloop van tijd permanent vestigen in het land waar zij in eerste instantie tijdelijk voor werk kwamen. Ze bouwen er een bestaan op, hun kinderen gaan er naar school en ze maken onderdeel uit van de samenleving in het ‘nieuwe’ land. Afhankelijk van het land van herkomst zijn arbeidsmigranten die zich permanent willen vestigen in Nederland wel of niet inburgeringsplichtig. Zo zijn arbeidsmigranten afkomstig uit de EU bijvoorbeeld niet inburgeringsplichtig.

(Zie Inburgering).

Een asielzoeker is iemand die zijn land verlaat en de bescherming van een ander land inroept, bijvoorbeeld omdat er oorlog is in zijn thuisland. Het land waar iemand asiel aanvraagt, zoekt eerst uit of iemand gegronde redenen heeft om asiel aan te vragen. Een asielzoeker kan een asielvergunning krijgen als hij als vluchteling kan worden beschouwd. Een asielvergunning wordt ook wel een verblijfsvergunning genoemd. In principe kan iedereen die een asielaanvraag indient, als asielzoeker worden beschouwd. Vluchtelingen zijn asielzoekers die voldoen aan de criteria om als vluchteling te worden beschouwd, zoals bepaald in het Vluchtelingenverdrag, zie www.wetten.overheid.nl.

(Zie Statushouder).

Mensen die niet uit de EU, de Europese Economische Ruimte (EER), Turkije of Zwitserland komen en die voor langere tijd naar Nederland willen komen en hier willen wonen, zijn verplicht dit basisexamen af te leggen. Het basisexamen maken zij voordat zij naar Nederland komen in hun land van herkomst. Vluchtelingen hoeven dit examen niet te doen. Dit examen geldt bijvoorbeeld voor mensen die bij hun partner willen gaan wonen of iemand die geestelijk bedienaar is (dominee, priester, imam etc.). Met dit examen kunnen zij aantonen dat ze het Nederlands op een startniveau beheersen, taalniveau A1 van het ERK/CEFR. Het examen bestaat uit drie toetsen: Spreekvaardigheid, Leesvaardigheid en Kennis Nederlandse Samenleving. Het basisexamen wordt afgenomen op een Nederlandse ambassade of consulaat. Na dit examen zijn deze mensen nog niet ingeburgerd. In Nederland kunnen zij verder voldoen aan hun inburgeringsplicht, mits zij aan de vereiste documenten voldoen. Vluchtelingen hoeven dit examen niet te doen. Zie www.naarnederland.nl. (Zie ERK/CEFR).

Binnen de volwasseneneducatie wordt onder de basisvaardigheden verstaan: taal-, reken- en digitale vaardigheden voor laagopgeleide volwassenen. Onder taal verstaan we Nederlands als tweede taal en Nederlands als moedertaal. Met voldoende beheersing van de basisvaardigheden kan een volwassene zich zelfstandig kan redden in de maatschappij, deze persoon is zelfredzaam.

Blik op Werk Keurmerk is een keurmerk dat uitgegeven wordt door de stichting Blik op Werk. Alle mensen die inburgeren (zowel inburgeringsplichtigen als vrijwillige inburgeraars) kunnen een lening bij DUO aanvragen voor de bekostiging van hun inburgeringstraject. Het geld van deze lening mag alleen worden besteed bij een taalaanbieder met het Blik op Werk Keurmerk. Een school of instituut met het Blik op Werk Keurmerk is te herkennen aan het groengele logo van Blik op Werk. Zie www.blikopwerk.nl/inburgeren.

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers. Deze organisatie is verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers en hun begeleiding in de eerste fase in Nederland. COA is een zelfstandige organisatie, maar valt onder de politieke verantwoordelijkheid van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Coaching in het onderwijs is erop gericht mensen (zelf) te leren leren. Het is niet (per se) hetzelfde als wat taalcoaches doen. Een coach helpt de leerder bij het verhelderen van zijn/haar leervragen, keuzes maken voor doelen, leeracties bedenken, reflecteren en evalueren. Een coach doet dit door open vragen te stellen, te luisteren en de leerder aan te moedigen. De leerder heeft de regie, de coach ondersteunt het proces. Samen dingen ondernemen en oefenen met de Nederlandse taal doet een coach niet, maar een taalcoach juist wel (Zie Taalcoach/vrijwilligers NT1 en Taalcoach/vrijwilliger NT2).

Een competentie is het vermogen om een taak met de juiste kennis, vaardigheden en attitude te verrichten. Iemand die competent is, weet op een juiste passende manier te handelen. Binnen de volwasseneneducatie zijn voor docenten vereiste competenties beschreven in competentieprofielen voor docent Basisvaardigheden, docent NT2 en docent NT1. Voor verschillende rollen van taalvrijwilligers worden competenties beschreven binnen het project VIME: Volunteers in Migrant Education. Medio april 2018 is de beschrijving van competenties van rollen van vrijwilligers beschikbaar.

Een contactgemeente is de eindverantwoordelijke gemeente in een arbeidsmarktregio. De contactgemeente is verantwoordelijk voor het regionale plan wat betreft de besteding van het geld voor het organiseren van trajecten voor de volwasseneneducatie (WEB-middelen). De contactgemeente heeft een coördinerende functie bij het organiseren van cursussen taal, rekenen en digitale vaardigheden in de regio, maar doet dit altijd in overleg met andere gemeenten in de regio. In overleg kan ook bepaald worden dat de gemeenten in de arbeidsmarktregio elk een eigen plan maken. In het veld van volwasseneneducatie wordt een contactgemeente ook wel een centrumgemeente genoemd. (Zie Arbeidsmarktregio, WEB).

Een diagnostische toets is een toets die afgenomen wordt om inzicht te krijgen in wat een leerder al goed doet en aan welke aspecten iemand nog extra aandacht moet besteden om de betreffende vaardigheid te verbeteren of op een gewenst niveau te krijgen. Bijvoorbeeld spelling, woordenschat, uitspraak, of vermenigvuldigen met tientallen.

De Digimeter geeft gemeenten, bedrijven, schuldhulpverleningsorganisaties, formulierenbrigades en andere organisaties snel een indicatie of hun cliënten, werknemers of klanten moeite hebben met digitale vaardigheden. Het is een online test met een aantal korte vragen, die deelnemers kunnen maken op een computer. De Digimeter is geen toets. Als na het afnemen van de Digimeter blijkt dat iemand moeite heeft met digitale vaardigheden, dan dient door middel van een betrouwbare toets het niveau van digitale vaardigheden vastgesteld te worden. Meer informatie over de Digimeter is te vinden op www.basismeters.nl.

Digitale vaardigheden zijn vaardigheden om met digitale apparaten en programma’s om te kunnen gaan. Bijvoorbeeld omgaan met computers, internet, Facebook of tekstverwerkingsprogramma’s, maar ook met een mobiele telefoon, een printer enz. Deze vaardigheden hebben ook betrekking op bewust en kritisch omgaan met digitale media en het kunnen zoeken, selecteren, verwerken en gebruiken van relevante informatie uit digitale bronnen.

Een docent Basisvaardigheden onderwijst taal (Nederlands als tweede taal en Nederlands als moedertaal), rekenen en digitale vaardigheden aan laagopgeleide volwassenen binnen de volwasseneneducatie. Er bestaat (nog) geen nascholing of opleiding tot docent Basisvaardigheden, maar deze zijn wel in ontwikkeling.

Een docent NT1 is gespecialiseerd en gecertificeerd op het gebied van lees- en schrijfonderwijs in het Nederlands aan volwassen laagopgeleide deelnemers voor wie het Nederlands de moedertaal is. Een docent NT1 geeft ook les aan laagopgeleide deelnemers met een anderstalige achtergrond met een minimaal niveau voor luisteren en spreken op beheersingsniveau B1 / op weg naar B2 uit het Europees Referentiekader (ERK/CEFR). De deelnemers met een anderstalige achtergrond zijn al wel goed aanspreekbaar in het Nederlands en hebben een relatief grote woordenschat in het Nederlands.

Een docent NT2 is gespecialiseerd en gecertificeerd op het gebied van taalonderwijs aan volwassen deelnemers met een andere moedertaal dan het Nederlands. Een docent NT2 heeft een diploma van een van de bestaande docentenopleidingen NT2 of het certificaat van de beroepsvereniging voor NT2-docenten (BVNT2). Zie www.bvnt2.org.

Europees Referentiekader / Common European Framework of References. In dit raamwerk worden drie hoofdniveaus onderscheiden voor het leren van een vreemde taal; A, B en C. Per hoofdniveau is er een lage en een hoge kant. Zo zijn er in totaal zes beheersingsniveaus. Het ERK/CEFR beschrijft per beheersingsniveau voor luisteren, lezen, spreken, gesprekken voeren en schrijven wat je moet kunnen (in diverse contexten en voor verschillende doelen) en hoe goed je het moet kunnen (mate van correctheid). Niveau A1-A2 = beginnende gebruiker, niveau B1-B2 is onafhankelijke gebruiker, niveau C1-C2 = vaardige gebruiker. A1 is de absoluut beginnende taalleerder, C2 is bijna-moedertaalspreker.

In de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB) wordt formele educatie omschreven als educatie die wordt afgesloten met een diploma dat erkend is en gebaseerd is op de standaarden en eindtermen volwasseneneducatie. Het betreft educatieaanbod waarvoor deelnemers ter afronding een diploma of certificaat krijgen dat door het ministerie van OCW wordt erkend. Dat kan bijvoorbeeld een diploma zijn voor een opleiding Nederlandse taal of rekenen, gericht op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs 2F. De aanbieder moet voor dit type aanbod een diploma-erkenning hebben voor opleidingen taal en rekenen die worden benoemd in de WEB. Deze trajecten worden begeleid door gecertificeerde docenten.

Formele educatie staat onder toezicht van de onderwijsinspectie. Het is aan de taalaanbieder zelf om te bepalen of deze diploma-erkenning aanvraagt of niet. Zo kan een aanbieder bijvoorbeeld voor een opleiding rekenen diploma-erkenning aanvragen en toegekend krijgen. Deze opleiding komt dan onder toezicht te staan van de onderwijsinspectie en het diploma of certificaat wordt door OCW erkend. In het verleden werd onder formele educatie verstaan alle door de overheid bekostigde educatie. Dit is sinds de wetswijziging in 2015 niet meer het geval. Nu geldt de hierboven beschreven uitleg.

Een functioneel analfabeet is iemand die wel technisch kan lezen en schrijven, maar deze vaardigheden in dagelijkse situaties niet of nauwelijks functioneel kan toepassen. Bijvoorbeeld het invullen van een formulier, een informatiebord op het station met aankomst- en vertrektijden lezen, of de ondertiteling op televisie begrijpen. Iemand die functioneel analfabeet is wordt ook wel laaggeletterd genoemd. De term is enigszins dubbelzinnig; een analfabeet kan namelijk niet lezen en schrijven (technisch en functioneel) een laaggeletterde kan wel een beetje lezen en schrijven (technisch en functioneel), maar is daarin onvoldoende zelfstandig en zelfredzaam.

(Zie Laaggeletterdheid, Analfabeet, Functionele geletterdheid).

Functionele geletterdheid is de vaardigheid om gedrukte en geschreven informatie te gebruiken. Het kunnen lezen of schrijven zelf is een technische vaardigheid, kunnen begrijpen wat je leest of kunnen opschrijven wat je wilt zeggen, is een functionele vaardigheid. Om zelfstandig te functioneren in de maatschappij, je eigen doelen te realiseren en je eigen kennis en mogelijkheden te ontwikkelen, is het belangrijk functioneel geletterd te zijn.

Functionele lees- en schrijfvaardigheid is de mate waarin iemand lees- en schrijfvaardig is om taaltaken uit te voeren die relevant zijn voor de situaties die iemand in het dagelijks leven tegenkomt. Het kunnen begrijpen wat je leest of kunnen opschrijven wat je wilt zeggen is een functionele vaardigheid. Bijvoorbeeld het kunnen schrijven van een sollicitatiebrief of het kunnen begrijpen van informatie op de website van de gemeente.

Gecijferdheid is de mate waarin iemand vaardig is in het omgaan met situaties in het dagelijks leven waarin getallen, maten en verbanden een rol spelen. Bijvoorbeeld omgaan met geld, tijd, maten, maar ook met tabellen en grafieken. Iemand is voldoende gecijferd om zelfredzaam te kunnen zijn als deze persoon functioneert op niveau 2F van het Referentiekader Taal en Rekenen. Om voldoende gecijferd (>2F) te kunnen zijn, dient iemand over rekenvaardigheid te beschikken. (Zie Referentiekader Taal en Rekenen, Rekenvaardigheid).

Geletterdheid is het vermogen om zelf tekst te schrijven en geschreven tekst te lezen, te begrijpen, te evalueren, te gebruiken en toe te passen in de maatschappij en het persoonlijk leven. Het is het vermogen om eigen doelen te bereiken en je kennis en potentieel verder te ontwikkelen met behulp van geschreven tekst. Geletterdheid omvat luisteren, spreken, schrijven, gecijferdheid en het gebruik van alledaagse technologie. Iemand is voldoende geletterd om zelfredzaam te kunnen zijn in de maatschappij als deze persoon functioneert op niveau 2F van het Referentiekader Taal en Rekenen (Zie Referentiekader Taal en Rekenen).

Iemand die in Nederland woont, kan zijn gezin(lid) dat in het buitenland verblijft, naar Nederland laten overkomen. Dit geldt voor zowel vluchtelingen als niet-vluchtelingen. Nadat een vluchteling een verblijfsvergunning heeft verkregen, heeft hij drie maanden de tijd om een aanvraag voor gezinshereniging in te dienen. Het gezin(lid) dat naar Nederland komt, krijgt bij binnenkomst een vluchtelingenstatus. Dit gezin(lid) is dan ook inburgeringsplichtig en doorloopt dezelfde procedures als vluchtelingen die niet door middel van gezinshereniging naar Nederland zijn gekomen. Niet-vluchtelingen kunnen ook hun gezin(lid) laten overkomen, voor hen gelden andere regels. Zij zullen o.a. eerst een Basisexamen Inburgering Buitenland moeten doen, voordat zij naar Nederland kunnen komen. Zie www.ind.nl.

(Zie Basisexamen Inburgering Buitenland).

Iemand die gezondheidsvaardig is heeft de vaardigheden om informatie over zijn/haar gezondheid op te zoeken, te begrijpen en vervolgens toe te passen. Iemand kan bijvoorbeeld:

  • informatie over medicijnen, gezonde leefstijl, een zorgverzekering lezen;
  • afspraken noteren, zich inschrijven voor een cursus, een formulier invullen bij de huisarts;
  • op tijd de juiste hoeveelheden medicijnen innemen (rekenvaardigheden);
  • telefonisch een afspraak maken, luisteren, klachten formuleren tijdens een gesprek; sociaal vaardig zijn door bijv. vragen durven stellen, afwegingen maken, beslissingen nemen;
  • digitaal vaardig zijn, bijv. informatie opzoeken op internet, een herhaalrecept bestellen bij de apotheek.

Mensen met lage basisvaardigheden hebben een verhoogde kans op lage gezondheidsvaardigheden. Zij zijn dan ook extra kwetsbaar voor gezondheidsproblemen en kunnen zichzelf minder goed informeren over de zorg en gezond gedrag.

De overheid wil dat mensen die niet uit Nederland komen en die zich permanent willen vestigen in Nederland, actief meedoen aan de samenleving en zo snel mogelijk economisch zelfstandig zijn. Daarom is er de Wet Inburgering. In deze wet staat dat mensen die naar Nederland komen en hier wonen de Nederlandse taal moeten leren, dat zij moeten weten hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zit en hoe zij werk kunnen vinden. Om te kunnen inburgeren is er een inburgeringsexamen. Inburgeraars zijn verplicht het examen binnen een bepaalde tijd te halen. Voor nieuwkomers die inburgeringsplichtig zijn na 1-1-2013 geldt een termijn van 3 jaar. Als iemand tussen de 18-65 jaar is en langdurig in Nederland komt wonen, dan moet diegene inburgeren. Dit betekent dus niet een tijdelijk verblijf voor werk of studie (expats bijvoorbeeld). Een persoon hoeft niet in te burgeren als: hij een Nederlands paspoort heeft, afkomstig is uit de EU, de Europese Economische Ruimte (EER), Turkije of Zwitserland; ouder is dan de pensioengerechtigde leeftijd; acht jaar of langer in Nederland woonde toen hij leerplichtig was: beschikt over Nederlandse diploma’s, certificaten of bewijsstukken van een opleiding in de Nederlandse taal; jonger dan 18 jaar is.

(Zie Inburgeringsexamen).

Iedereen die tussen de 18 en 65 jaar oud is en o.a. van buiten de Europese Unie langdurig in Nederland komt wonen, moet inburgeren. Dit betekent dus niet een tijdelijk verblijf voor werk of studie (expats bijvoorbeeld). Inburgeren doe je door het inburgeringsexamen af te leggen. Een inburgeringsexamen bestaat uit zes onderdelen: de vier taalvaardigheden (Lezen, Luisteren, Spreken en Schrijven) en de onderdelen Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA) en Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM) af te ronden. De taalvaardigheden kun je op drie niveaus doen: A2 (inburgeringsexamen), B1 of B2 (Staatsexamens NT2). Een inburgeraar kiest een van deze niveaus.

Wanneer iemand vóór 1 januari 2015 inburgeringsplichtig werd, dan kan deze persoon inburgeren door alleen Staatsexamen Nt2 Programma I of Programma II te doen. Werd een persoon ná 1 januari 2015 inburgeringsplichtig, dan zijn naast het Staatsexamen NT2, ook de onderdelen KNM en ONA verplicht. Iemand die het Basisexamen Inburgering Buitenland heeft gedaan, moet in Nederland ook het Inburgeringsexamen afleggen.

(Zie Inburgering, Basisexamen Inburgering Buitenland).

Bij informele educatie gaat het om onbedoeld (niet-intentioneel) leren. Dit leren is eigenlijk een soort bijvangst van andere activiteiten. De begrippen non-formele en informele educatie worden vaak door elkaar gehaald. Taalcoaching is geen informeel leren, maar non-formeel, omdat een leerder gericht werkt aan taal in een laagdrempelige setting in een informele sfeer. Informeel leren is bijvoorbeeld als iemand nieuwe kennis opdoet tijdens het lezen van de krant of een gesprek met iemand voert. Informeel leren kan elk moment van de dag plaatsvinden. (Zie Non-formele educatie).

In een intake wordt in de volwasseneneducatie door middel van een gesprek en/of een toets of vragenlijst bepaald waar de leerwensen en leerpunten van iemand liggen. Ook worden de leefsituatie en mogelijkheden in kaart gebracht, de tijdsinvestering die een traject vraagt en de leerbaarheid van de deelnemer bepaald. Op basis van een intake kan vervolgens het verdere (educatie)traject worden uitgestippeld.

Een intake in taalcoaching is minder uitgebreid. Met een intake bij taalcoaching worden leerwensen in kaart gebracht gericht op de doelen van taalcoaching; meedoen in de maatschappij, momenten van taalcontact, zelfredzaamheid bevorderen etc. Aan de hand van de informatie uit een intake bij taalcoaching maakt een coördinator zo goed mogelijk een koppel van taalcoach en taalleerder. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar de gezinssituatie van een taalcoach, het werk van de taalcoach en mogelijk gemeenschappelijke interesses.

Kennis van de Nederlandse Maatschappij. Dit is een verplicht onderdeel van het Inburgeringsexamen. In dit examen wordt de kennis getoetst van diverse onderwerpen die belangrijk zijn om in de Nederlandse maatschappij te kunnen functioneren. Bijvoorbeeld omgangsvormen op de werkvloer, culturele gewoontes, de rechtsstaat, het onderwijssysteem, gezondheidszorg en verzekeringen, het politieke systeem, etc.

Kennis van de Nederlandse Samenleving.

  • KNS wordt gebruikt als overkoepelende term voor twee examens van het inburgeringsexamen: Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM) en Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA).
  • In het asielzoekerscentrum bereiden bewoners zich al voor op de verplichte inburgering. Deze training heet ook ‘Kennis van de Nederlandse Samenleving’ (KNS). Deze training is gericht op de eigen verantwoordelijkheid, meedoen in de samenleving, wonen, gezondheidszorg, werk en inkomen.
  • Een verplicht onderdeel van het basisexamen inburgering buitenland heet ook Kennis van de Nederlandse Samenleving. (Zie Inburgeringsexamen, Basisexamen Inburgering Buitenland, KNM, ONA).

Mensen die laaggeletterd zijn, kunnen wel een beetje lezen en schrijven (in hun moedertaal), maar beheersen deze vaardigheden onvoldoende om zelfredzaam te kunnen zijn in de maatschappij. Volwassenen die onder niveau 2F zitten van het Referentiekader taal en rekenen, behoren tot de groep laaggeletterden. In Nederland zijn er 1,3 miljoen mensen laaggeletterd, waarvan 65% het Nederlands als moedertaal heeft. Dit aantal van 1,3 miljoen betreft de beroepsbevolking, die bestaat uit mensen tussen 16-67 jaar oud. Mensen die alleen onvoldoende digitale vaardigheden hebben, maar wel op niveau (≥2F) geletterd en gecijferd zijn, behoren niet tot de doelgroep van laaggeletterden. Er bestaan verschillende aantallen die de omvang van laaggeletterdheid aangeven, dit komt doordat sommige groepen al dan niet worden meegerekend. Zo wordt er ook gesproken over 2,5 miljoen laaggeletterden; in dit aantal worden ook de mensen ouder dan 67 jaar meegenomen en mensen die laag digitaal vaardig of alleen laaggecijferd zijn.

Iemand die de Nederlandse taal niet beheerst, enkel en alleen omdat deze persoon een andere moedertaal heeft en de Nederlandse taal (nog) niet machtig is, is niet laaggeletterd, maar anderstalig en (nog) laagtaalvaardig in het Nederlands. Iemand die alleen laag digitaal vaardig of laaggecijferd is, is niet laaggeletterd.

Onder laagopgeleide volwassenen verstaan we volwassenen met een opleiding onder mbo-2 niveau of andere opleidingen die daaraan min of meer gelijk te stellen zijn.

Je bent laagtaalvaardig als je de taal niet of nauwelijks beheerst. Je spreekt alleen van lage taalvaardigheid met betrekking tot anderstaligen. Laagtaalvaardigheid en laaggeletterdheid kunnen met elkaar verweven zijn, maar zijn twee verschillende zaken. Zo is bijvoorbeeld een hoogleraar uit Groot-Brittannië hoog taalvaardig in het Engels, maar laagtaalvaardig in het Nederlands. Een migrant uit Eritrea die geen onderwijs genoten heeft, nauwelijks kan lezen en schrijven in de eigen taal en nu begint met Nederlands leren, is zowel laaggeletterd in de eigen taal en het Nederlands als laagtaalvaardig in het Nederlands.

Een leerwerkloket is een regionaal samenwerkingsverband tussen UWV, gemeenten, onderwijsinstellingen, kenniscentra en het bedrijfsleven. Het doel van de leerwerkloketten is om mensen te stimuleren een leven lang te leren. Iedereen met vragen over het regionale scholingsaanbod en (leerwerk)vacatures kan terecht bij het leerwerkloket. www.lerenenwerken.nl.

Onder middenopgeleide volwassenen verstaan we volwassenen met een opleiding op mbo-3 of mbo-4 niveau of andere opleidingen die daaraan min of meer gelijk te stellen zijn.

Een migrant is iemand die zijn land vrijwillig verlaat om in een ander land te wonen en/of te werken. Dit kan voor zowel bepaalde als onbepaalde tijd zijn. Een vluchteling is geen migrant.

Een niveautoets wordt afgenomen om te bepalen of een cursist de Nederlandse taal op het beoogde niveau beheerst. Niveautoetsen worden gebruikt in een formele onderwijssetting om te bepalen of iemand naar een volgend niveau kan of klaar is voor bijvoorbeeld een inburgeringsexamen of Staatsexamen NT2. Niveautoetsen zijn bij taalcoaching door vrijwilligers niet van toepassing.

Als iemand naturaliseert krijgt diegene de nationaliteit van een ander land dan zijn/haar geboorteland. In Nederland heeft iemand dan recht op een Nederlands paspoort en krijgt iemand extra rechten zoals het kiesrecht. In principe geldt de regel dat iemand kan naturaliseren wanneer hij/zij minimaal 5 jaar achter elkaar en zonder onderbreking met een geldige verblijfsvergunning in Nederland heeft gewoond. Inburgeren is niet hetzelfde als naturaliseren. Inburgeren is een plicht, maar naturaliseren is een keuze. Iemand kan ook kiezen voor het aanvragen van een permanente verblijfsvergunning om in Nederland te mogen wonen. Zie www.ind.nl.

Non-formele educatie betreft educatie waarbij de trajecten niet worden afgesloten met een diploma dat erkend wordt door het ministerie van OCW. De aanbieder van non-formele educatie kan alsnog wel een diploma en/of certificaat uitgeven ter afronding van het traject. In plaats van de onderwijsinspectie, ziet de gemeente toe op de kwaliteit van dit type educatieaanbod. Non-formele educatie is bijvoorbeeld een cursus kunstgeschiedenis bij de volksuniversiteit, een taalcursus bij een vrijwilligersorganisatie of in de bibliotheek, een cursus Nederlands op de Werkvloer etc.

Een aanbieder die wel diploma-erkenning heeft gekregen voor trajecten in de volwasseneneducatie, kan zowel diplomatrajecten aanbieden als trajecten die niet worden afgesloten met een diploma. Taalcoaching valt ook onder non-formele educatie.

Nederlands als eerste taal. We duiden met deze term volwassenen aan die het Nederlands als moedertaal hebben. NT1 verwijst ook naar het lees- en schrijfonderwijs aan autochtone laagopgeleide volwassenen. Anderstaligen die de mondelinge taalvaardigheden al (redelijk) goed beheersen (B1), volgen ook NT1-onderwijs. Zij zijn al zodanig mondeling taalvaardig in het Nederlands, dat zij niet meer passen in een NT2-groep. Zij moeten vooral nog werken aan lees- en schrijfvaardigheid.

Nederlands als tweede taal. De term NT2 verwijst naar het taalonderwijs aan mensen met een andere moedertaal dan het Nederlands. Doel van dit onderwijs is het verwerven van de Nederlandse taal.

Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt. ONA is een verplicht onderdeel van het inburgeringsexamen vanaf 1 januari 2015. Doel van dit examen is dat inburgeraars leren hoe de Nederlandse arbeidsmarkt eruitziet en hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten. Voor dit examenonderdeel doorlopen inburgeraars een individueel oriëntatieproces en stellen zij een portfolio samen. Het examen bestaat uit een gesprek over het oriëntatieproces aan de hand van het portfolio.

De participatieverklaring is vanaf 1 oktober 2017 een onderdeel van de inburgering voor inburgeringsplichtigen. Het participatieverklaringstraject bestaat uit een inleiding in de Nederlandse kernwaarden en ondertekening van de participatieverklaring door de inburgeraar.

Een portfolio is een dossier waarin een cursist zijn/haar leerproces in kaart brengt. De cursist verzamelt bewijsmateriaal gedurende het leertraject van activiteiten, ervaringen en behaalde resultaten. Op basis van een portfolio kan een docent ook bepalen of een cursist voldoende taalvaardig is voor het beoogde niveau. Er is onderscheid te maken tussen een examenportfolio en een onderwijsportfolio.

Een examenportfolio is bijvoorbeeld het portfolio dat inburgeraars samenstellen voor het inburgeringsexamenonderdeel ONA. Een cursist levert een verzameling aan van bewijsstukken van eigen producten die het verlangde niveau (taal, rekenen, digitale vaardigheden) aantonen.

Een onderwijsportfolio is een verzameling van reeds behaalde resultaten en onderwijsactiviteiten van het leren van de cursist.

Het Raamwerk NT2 is een overzicht en bewerking van de niveaubeschrijvingen zoals die worden benoemd in het CEFR. De vaardigheden die in het Raamwerk NT2 zijn opgenomen zijn: lezen, luisteren, schrijven, spreken en gesprekken voeren. Per vaardigheid zijn er vijf taalniveaus uitgewerkt en voorzien van voorbeelden. Het betreft de taalniveaus A1, A2, B1, B2 en C1. De niveaubeschrijvingen en uitwerkingen uit het Raamwerk NT2 komen overeen met de niveaubeschrijvingen van het ERK/CEFR (zie omschrijving). Het Raamwerk NT2 betreft uitsluitend de niveaubeschrijvingen voor het Nederlands als tweede taal.

In het Referentiekader taal en rekenen is voor het Nederlandse onderwijs (van de basisschool tot en met mbo-4) vastgelegd wat leerlingen moeten kennen en kunnen als het gaat om Nederlandse taal en rekenen/wiskunde. Het referentiekader beschrijft beheersingsniveaus van de Nederlandse taal en rekenen. Het kader geeft voor ieder niveau aan welke kennis en vaardigheden erbij horen. Het gaat om basiskennis en -vaardigheden die voor alle leerlingen van belang zijn. Voor taal zijn er in totaal vier niveaus beschreven en voor rekenen/wiskunde drie.

De niveaus worden uitgedrukt in F-niveaus, fundamentele niveaus. De eindniveaus in het onderwijs zijn: 1F: primair en speciaal onderwijs; 2F: vmbo, mbo 1, 2, 3 3F: mbo 4, havo; 4F: vwo. In de volksmond wordt ook wel gesproken over de referentieniveaus van Meijerink. Dhr. Meijerink was voorzitter van de werkgroep die het Referentiekader taal en rekenen ontwikkelde.

De Rekenmeter geeft gemeenten, bedrijven, schuldhulpverleningsorganisaties, formulierenbrigades en andere organisaties snel een indicatie of hun cliënten, werknemers of klanten moeite hebben met rekenen. Het is een online test met een aantal korte vragen, die deelnemers kunnen maken op een computer. De Rekenmeter is geen toets. Als na het afnemen van de Rekenmeter blijkt dat iemand moeite heeft met rekenen, dan dient door middel van een betrouwbare toets het rekenniveau vastgesteld te worden. Meer informatie over de Rekenmeter is te vinden op www.basismeters.nl.

Rekenvaardigheid betreft het kunnen oplossen van sommen, oog hebben voor getallen en begrijpen hoe getallen werken. Rekenvaardigheid is een aspect van gecijferdheid. Voor volwassenen gelden de Standaarden en eindtermen ve als niveaubepaling van rekenvaardigheid. In deze standaarden en eindtermen is voor drie niveaus rekenvaardigheid beschreven. Deze niveaus corresponderen met de F-niveaus beschreven in het Referentiekader Taal en Rekenen. (Zie Gecijferdheid, Standaarden en eindtermen ve, Referentiekader Taal en Rekenen).

De Staatsexamens NT2 zijn de landelijke taalexamens voor volwassenen die het Nederlands als tweede taal leren. Zij kunnen met een Diploma Staatsexamen NT2 laten zien dat zij de Nederlandse taal voldoende beheersen om in Nederland te kunnen werken of studeren. De examens staan open voor personen vanaf zeventien jaar, ongeacht nationaliteit of opleiding. De Staatsexamens NT2 bestaan uit twee programma’s; Programma I en Programma II.

  • Programma I is bedoeld voor mensen die willen werken of studeren op mbo-3 of -4 niveau. Het taalniveau van dit programma is B1.
  • Programma II is voor mensen die willen werken of studeren aan het hbo of de universiteit. Het taalniveau van dit programma is B2.

Het Diploma Staatsexamen NT2 geldt als startbewijs voor het reguliere Nederlandse onderwijs. Scholen en universiteiten zijn vrij in het bepalen van hun toelatingseisen aan aspirant-studenten. Het Diploma Staatsexamen NT2 is dan ook geen garantie om te worden toegelaten tot een opleiding in het vervolgonderwijs.

Met het Diploma Staatsexamen NT2 kan worden voldaan aan de wettelijke taaleisen voor inburgering en naturalisatie. In plaats van de taalexamens op taalniveau A2 van het inburgeringsexamen, kiest de inburgeraar dan voor het Staatsexamen NT2, Programma I óf Programma II. Wanneer iemand inburgert met het Staatsexamen NT2, dienen ook nog de examens KNM en ONA te worden afgerond. Wanneer iemand wil naturaliseren is alleen het Staatsexamen NT2 voldoende, om de taalvaardigheid aan te tonen. (Zie Inburgering).

De Standaarden en eindtermen ve zijn de niveaubepalingen voor de volwasseneneducatie en gaan over taal, rekenen en digitale vaardigheden. De standaarden vormen de basis voor de eindtermen. De standaarden geven het niveau aan van een taal-, reken- of digitale taak aan. Eindtermen geven aan wat iemand moet kunnen aan het eind van een opleiding.

De niveaus zijn gerelateerd aan het Referentiekader taal en rekenen en vergelijkbaar met het Europees Referentiekader (ERK/CEFR). De standaarden en eindtermen zijn uitgewerkt in drie niveaus: instroomniveau, 1F en 2F. Per niveau en vaardigheid zijn taken benoemd die volwassenen tegenkomen in het dagelijks leven. De standaarden en eindtermen worden ook gebruikt als meetlat om te bepalen op welk niveau een deelnemer zich bevindt of welk niveau een bepaalde taal-, reken- en/ of digitale taak heeft.

Een startkwalificatie is het minimale niveau dat nodig wordt geacht om een volwaardige plaats op de arbeidsmarkt te verwerven. Iemand beschikt over een startkwalificatie wanneer hij een havo- of vwo-diploma of minimaal een mbo-2 diploma heeft. Het niveau van een startkwalificatie is 2F van het Referentiekader taal en rekenen.

Asielzoekers die als vluchteling worden erkend krijgen een vluchtelingenstatus. Zij worden ook wel statushouder of vergunninghouder genoemd. Statushouders mogen een opleiding volgen of werken in Nederland. Statushouders vallen onder de Wet Inburgering en zijn inburgeringsplichtig. (Zie Inburgering).

Taal voor het Leven is een ondersteuningsprogramma dat gemeenten en organisaties helpt met het bereiken van mensen die laaggeletterd zijn en het organiseren van scholing voor mensen die beter willen leren lezen, schrijven, spreken, rekenen of omgaan met de computer. Taal voor het Leven werkt daarin regionaal samen met bijvoorbeeld gemeenten, het UWV, sociale wijkteams, taalaanbieders, taalcoachorganisaties en bibliotheken.

Taal voor het Leven heeft zeven regionale teams en streeft ernaar om in heel Nederland gemeenten en organisaties te ondersteunen. Taal voor het Leven is onderdeel van Tel mee met Taal. (Zie Tel mee met Taal).

Een taalakkoord is een initiatief vanuit de overheid om partners te laten samenwerken bij het verbeteren van taalvaardigheid en tegengaan van laaggeletterdheid. Er bestaan verschillende invullingen van een taalakkoord. Zo kunnen werkgevers zich aansluiten bij een taalakkoord als zij gericht aandacht willen besteden aan het verbeteren van de taalvaardigheid van hun werknemers. Dit kunnen ze doen door bijvoorbeeld taaltrainingen te organiseren/faciliteren voor hun werknemers of door zich in te zetten als ambassadeur.

Er zijn ook regionale taalakkoorden. Daarin wordt afgesproken welke resultaten een arbeidsmarktregio wil halen en wat de partners in de regio daar voor doen. Het doel van de Rijksoverheid is dat in 2018 in minimaal 30 arbeidsmarktregio’s een taalakkoord bestaat voor de periode 2019-2022. De Rijksoverheid wil dat in 2018 minstens 300 werkgevers zich hebben aangesloten bij een taalakkoord voor werkgevers. Zie www.taalakkoord.nl.

Een taalcoachcoördinator is de coördinerende persoon binnen een taalvrijwilligersorganisatie. De taalcoördinator verzorgt de intake van vrijwilligers, maakt taalkoppels, biedt ondersteuning aan taalvrijwilligers, attendeert hen op trainingsmogelijkheden, organiseert bijeenkomsten voor vrijwilligers, geeft advies over te gebruiken materialen.

Daarnaast werft een taalcoachcoördinator deelnemers en vrijwilligers en onderhoudt hij/zij contacten met samenwerkingspartners. Ook is lokale promotie van taalcoaching onderdeel van het takenpakket.

Een taalcoach/vrijwilliger NT1 is er voor het oefenen met lezen en schrijven, maar het werken aan zelfvertrouwen van de leerder is minstens zo belangrijk. Geduld en het opbouwen van een vertrouwensband zijn daarbij essentieel. Taalcoaches/taalvrijwilligers NT1 komen niet veel voor. Deze vorm van taalcoaching is echt anders dan taalcoaching bij NT2. Taalcoaching NT1 is aanvullend op het onderwijs met een professionele docent, nooit een vervanging. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij het invullen van een formulier, aan samen naar de bibliotheek gaan of ondersteuning bieden bij verbeteren van digitale vaardigheden.

Taalcoaches/vrijwilligers NT2 begeleiden anderstaligen bij het oefenen en/of verbeteren van de Nederlandse taal. Taalcoaches worden ook wel taalmaatjes of taalbegeleiders genoemd. Taalcoaching bij NT2 is voornamelijk gericht op veel oefenen met de Nederlandse taal en contacten leggen met Nederlandstaligen om op die manier beter mee te kunnen doen in de maatschappij.

Taalcoaching bij NT2 gaat meestal om het oefenen van spreekvaardigheid. Taalcoaching is aanvullend op onderwijs met een professionele docent. Het is geen vervanging van formele trajecten. Er zijn verschillende invullingen van taalcoaching mogelijk, bijvoorbeeld:

  • Eén op één taalcoaching; een taalcoach en deelnemer spreken wekelijks af. Bijvoorbeeld in de bibliotheek, op de markt of gewoon thuis. Er wordt gericht gewerkt aan een (taal)hulpvraag, bijvoorbeeld het oefenen voor een examen(onderdeel), oudergesprekjes op school, het oefenen van stagesituaties of ondersteunen bij het theorie rijexamen.
  • Taalcoaching in (kleine) groepen; vaste kleine groepen oefenen op een interactieve manier de taal onder begeleiding van een vrijwilliger.
  • Taalcafés; laagdrempelige (inloop)bijeenkomsten waarbij anderstaligen met elkaar en vrijwilligers over bepaalde thema’s praten in het Nederlands. Bijvoorbeeld in een buurthuis of bij een taalschool. Zie hetbegintmettaal.nl.

De Wet Taaleis is een onderdeel van de Participatiewet. Volgens de Wet Taaleis moeten bijstandsgerechtigden die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen, zich inspannen om de taal op een basisniveau te krijgen. De Wet Taaleis is op 1 januari 2016 in werking getreden. Het idee achter deze wet is dat een basisniveau van de Nederlandse taal bijdraagt aan het vinden van een baan en aan andere vormen van maatschappelijke participatie. De gemeente moet bij een uitkeringsgerechtigde met een betrouwbare en betrouwbaar afgenomen taaltoets laten bepalen of hij de taal voldoende beheerst wat betreft lezen, luisteren, spreken, gesprekken voeren en schrijven. Onder voldoende wordt verstaan taalniveau A2 voor anderstaligen, taalniveau 1F voor Nederlandstaligen. Iemand valt niet onder de wet Taaleis, wanneer iemand kan aantonen dat hij/zij:

  • Of acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd;
  • Of het inburgeringsexamen heeft behaald;

Of middels een ander document kan aantonen dat hij/zij de Nederlandse taal op A2 of >1F beheerst.

Een Taalhuis is een plek waar taalcoaches terechtkunnen voor advies over geschikt (taalcoach)materiaal of bijvoorbeeld tips voor het geven van feedback. In een Taalhuis zijn (soms) computers aanwezig om op te oefenen of er worden inloopbijeenkomsten georganiseerd, bijvoorbeeld een taalcafé. Een Taalhuis bevindt zich vaak in een bibliotheek. Laaggeletterden en anderstaligen kunnen met hun vragen over taal en lesmogelijkheden ook terecht bij een Taalhuis.

Les van een docent. Binnen de volwasseneneducatie wordt taalles gegeven door een docent Basisvaardigheden, docent NT1 of docent NT2. Een taalvrijwilliger /taalcoach geeft geen les, maar taalcoaching.

De Taalmeter geeft gemeenten, bedrijven, schuldhulpverleningsorganisaties, formulierenbrigades en andere organisaties snel een indicatie van de lees- en schrijfvaardigheid van hun cliënten, werknemers of klanten. Het is een online test met een aantal korte vragen, die deelnemers maken op een computer. De Taalmeter is geen toets. Als na het afnemen van de Taalmeter blijkt dat iemand moeite heeft met lezen en/of schrijven, dan dient door middel van een betrouwbare toets het taalniveau vastgesteld te worden (bijvoorbeeld een TOA-toets).

De Taalmeter is niet bedoeld om informatie te krijgen over de taalvaardigheid van anderstaligen die de Nederlandse taal nog aan het leren zijn. Meer informatie over de Taalmeter is te vinden op www.basismeters.nl. (Zie Laagtaalvaardig).

Een Taalpunt is een plek waar taalcoaches terecht kunnen met vragen over de begeleiding van een taalleerder, advies over een passende (digi)taalcursus, overzicht van het taalaanbod in de buurt en waar geïnteresseerden zich kunnen aanmelden als taalcoach. Een Taalpunt heeft als belangrijkste taken het geven van advies en doorverwijzen. Een Taalpunt bevindt zich vaak in een bibliotheek, maar er zijn ook Taalpunten in ziekenhuizen of een UWV-locatie.

Taalvrijwilligersorganisaties en taalcoachorganisaties organiseren taalcoaching voor NT1- en NT2-leerders. Deze maatschappelijke organisaties zijn bijvoorbeeld Stichting Welzijn, Humanitas, VluchtelingenWerk, maar kunnen ook individuele initiatieven zijn. Deze organisaties opereren zelfstandig of werken samen met gemeenten en professionele taalaanbieders en trainen vrijwilligers zodat zij leerders kunnen ondersteunen. De organisaties hebben taalcoachcoördinatoren die de vrijwilligers coördineren.

Tel mee met Taal is een landelijk actieprogramma van de ministeries van OCW, SZW en VWS gericht op het voorkomen en bestrijden van laaggeletterdheid en het bevorderen van lezen, in aanvulling op het reguliere onderwijs. Het programma is bedoeld voor gemeenten en organisaties die binnen de eigen regio een effectief taalbeleid willen opzetten of dit willen versterken. Het actieprogramma loopt van 2016-2018.

Een vluchteling is iemand die zijn land ontvlucht of is gevlucht voor (dreiging van) gevaar of geweld. Deze persoon heeft gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of het hebben van een politieke overtuiging. In het eigen land van deze persoon biedt de regering hiertoe geen bescherming. Deze persoon kan niet terugkeren naar het land van herkomst. Dit zijn politieke vluchtelingen; zij vluchten voor hun veiligheid.

Economische vluchtelingen zijn mensen die ‘vluchten’ in de hoop op een beter leven. De term economische vluchteling is eigenlijk onjuist, omdat economische motieven niet erkend worden als reden voor bescherming of opvang door een ander land.  Vluchtelingen die als politiek vluchteling worden erkend, krijgen een status en zijn dan ook inburgeringsplichtig.

Volwasseneneducatie is onderwijs voor volwassenen gericht op bevordering van zelfredzaamheid. Dit onderwijs richt zich op persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van de volwassene. Hierbij is aandacht voor de ontwikkeling van kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen die aansluiten bij de persoonlijke wensen van de volwassenen, maar ook aansluiten bij dat wat de maatschappij van de volwassen deelnemer vraagt.

Via dit onderwijs worden volwassenen toegeleid naar de arbeidsmarkt of het beroepsonderwijs. Het gaat om opleidingen Nederlands als eerste en tweede taal, rekenen en digitale vaardigheden. (Vanaf 2018 behoren digitale vaardigheden ook tot de volwasseneneducatie). Volwasseneneducatie sluit waar mogelijk aan op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs (2F van het Referentiekader taal en rekenen).

Een voortgangstoets wordt afgenomen om de voortgang van een leerder in kaart te brengen. Het is een test om te zien of de cursist het geleerde al beheerst. Met behulp van voortgangstoetsen wordt veelal bepaald of een cursist naar een volgend niveau kan. Deze toets wordt in een formeel educatietraject afgenomen.

Wet Educatie en Beroepsonderwijs, ingevoerd in 1996. Deze wet regelt de organisatie van verschillende vormen van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Gemeenten krijgen jaarlijks budget op basis van deze wet voor het inkopen van cursussen gericht op het verbeteren van de Nederlandse taal, rekenen en digitale vaardigheden. Het mogen alleen cursussen zijn bestemd voor volwassenen vanaf 18 jaar die niet inburgeringsplichtig zijn. Met het WEB-budget kunnen de volgende opleidingen worden gefinancierd:

  • opleidingen Nederlandse taal en rekenen, gericht op alfabetisering en op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs;
  • opleidingen Nederlands als tweede taal, Programma I en II die opleiden voor het diploma Nederlands als tweede taal, bedoeld in het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal;
  • opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op beheersing van een basisniveau Nederlandse taal;
  • opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering;
  • bij ministeriële regeling aan te wijzen andere opleidingen.

De WEB-gelden kunnen zowel aan trajecten binnen de formele als non-formele educatie worden besteed.

Syrische Mounira wil kunnen studeren

Mounira & Ilse

Toen Mounira vanuit Syrië in Nederland aankwam wilde ze niets liever dan snel Nederlands leren zodat ze kan gaan studeren. Over haar taalcoach zegt zij: ‘In het ‘echt’ Nederlands praten met Ilse helpt me enorm om de taal sneller te leren.

Marokkaanse Latifa komt uit haar isolement

Voor de Marokkaanse Latifa was vooral het sociale contact met haar taalcoach erg belangrijk. Wegens haar ziekte is ze aan huisgebonden en raakte ze geïsoleerd. Nu spreekt ze wekelijks af met haar taalcoach: samen spreken ze Nederlands tijdens het handwerken. Gezellig!

Taiwanees Li-Chun maakt vrienden

Li-Chun

De Taiwanese Li-Chun Lee krijgt taalcoaching van Klaas. “Klaas is mijn beste vriend”, vertelt Li-Chun enthousiast. Via het netwerk van Klaas leert ze meer mensen kennen.

Irakees Nasrat went aan Nederlandse cultuur

Nasrat leert Nederlands op school en oefent daarnaast met taalcoach Edwin. Het leven in Nederland is totaal anders dan in zijn land van herkomst Irak. Nasrat: “Ik heb 90% van mijn Nederlands van Edwin geleerd”. Ook leert Nasrat daardoor Nederland beter begrijpen.

Netwerkboek: vol persoonlijke verhalen & ervaringen

Lees meer enthousiaste verhalen over taalcoaching in ons netwerkboek.